GKK HOME


TOELICHTINGEN


Di Lasso, Orlando (1532-1594) Missa super Osculeur me


Roland de Lâtre was koorknaap aan de Sint-Nicolaaskerk te Bergen. De vice-koning van Sicilië nam de jongen, na toestemming van zijn ouders, mee naar Italië. Hij bleef daar onder de naam Orlando di Lasso tot 1550. Nadat hij de baard in de keel had gekregen werd hem een aanstelling in Parijs aangeboden. Vervolgens werd hij in 1553 kapelmeester van Sint Jan van Lateranen in Rome. Hij reisde door Frankrijk en Engeland en bleef in 1555 hangen in Antwerpen. Hier publiceerde hij zijn eerste vierstemmige madrigalen, gelijktijdig met de publicatie van zijn eerste vijfstemmige madrigalen in Venetië.

In 1556 benoemde Albrecht V, de hertog van Beieren, hem tot lid van de hofkapel te München, waarvan hij vier jaar later leider werd en bleef tot zijn dood. Zijn laatste jaren werden gekenmerkt door melancholie, wellicht een gevolg van overmatig werken.Di Lasso werd door tijdgenoten boven andere componisten gesteld, zoals blijkt uit bijnamen als Vorst der muziek en Belgische Orpheus. Hij is de grootmeester van het motet. Hij was bevriend met de Duitse kunstenaar Hans Mielich, die motetten van Di Lasso illumineerde. In München staat een standbeeld van Di Lasso en de Orlandostraat leidt naar het Orlandohuis, dat op de plaats staat waar Di Lasso woonde. Orlando di Lasso schreef onder meer 53 vier- tot achtstemmige missen, 1250 twee- tot twaalfstemmige motetten, requiems, madrigalen, chansons en koorliederen. In het voorwoord van zijn bundel Duitse liederen somt Lassus zijn oeuvre van wereldlijke liederen op: Franse chansons, Italiaanse madrigalen, Duitse en Nederlandse liederen. Die laatste zijn echter verloren gegaan. Orlando di Lasso was het grootste deel van zijn muzikale loopbaan actief in München aan het hof van de Beierse hertogen. Bij hem vindt men alle facetten van het polyfone componeren van de Franco-Vlaamse School terug. Zijn werken verklanken vooral bewogenheid en gevoeligheid. Veel van zijn werken werden gedrukt en zijn in diverse uitgaven bewaard gebleven. De Bayerische Staatsbibliothek te München bewaart handschriften en oude drukken van Di Lasso's composities. Enkele van zijn bekendste composities zijn de Psalmi Davidis Poenitentiales (7 psalmen), de Lamentationes Hieremiae Prophetae (naar het Bijbelboek Klaagliederen), madrigalen op teksten uit de Canzoniere van Francesco Petrarca, en zijn zwanenzang, de Lagrime di San Pietro. Dirigent Philippe Herreweghe heeft veel werk van Di Lasso gedirigeerd.


Palestrina, Giovanni Pierluigi (1525-1594) Laudate dominum


Laudate Dominum omnes gentes

Laudate eum, omnes populi

Quoniam confirmata est

Super nos misericordia eius,

Et veritas Domini manet in aeternum.

Loof de Heer,alle volken,

prijs hem,alle naties.

Want zijn liefde is overstelpend

voor ons,

eeuwig duur de trouw van de Heer


Over Palestrina


Giovanni da Palestrina werd omstreeks 1525 geboren, vermoedelijk in Palestrina nabij Rome. In 1537 was hij koorknaap aan de basiliek Santa Maria Maggiore te Rome. Van 1544 tot omstreeks 1551 was hij organist en kapelmeester in de kathedraal van zijn geboortestad. In 1547 trad hij in het huwelijk met Lucrezia di Francesco Gori, een dochter van een bemiddelde wijnbouwer. Zij kregen samen twee zoons: Rodolfo en Angelo. In 1551 werd Palestrina kapelmeester aan de Cappella Giulia van de Sint-Pieter te Rome. In 1555 werd hij door Paus Julius III benoemd tot zanger van de Sixtijnse Kapel. In 1554 publiceerde hij zijn eerste missenboek. In 1555 werd hij door Paus Paulus IV ontslagen omdat hij geen priester was. Een maand later werd hij aangesteld als kapelmeester van de Sint-Jan van Lateranen in Rome, een post die hij tot 1560 bekleedde. In 1555 verscheen zijn eerste boek met vierstemmige madrigalen. Vanaf 1561 (waarschijnlijk tot 1566) was hij kapelmeester van de Santa Maria Maggiore, daarna muziekleraar aan het Seminario Romano. Van 1567 tot 1571 stond Palestrina in dienst van kardinaal Ippolito II d'Este, van 1571 tot aan zijn dood op 2 februari 1594 was hij kapelmeester aan de Sint-Pieter, waar hij ook begraven werd. Reeds bij zijn leven bezat Palestrina Europese faam.

Palestrina heeft een enorme hoeveelheid geestelijke en wereldlijke composities nagelaten, waaronder

 honderden missen, motetten en madrigalen. Zijn composities worden gekenmerkt door een heldere

melodische structuur en gebalanceerde harmonie in de zangpartijen. De muzikale hervorming binnen

de Katholieke Kerk waartoe het Concilie van Trente (1545-1563) besloot, orïënteerde zich sterk op de

stijl van Palestrina. De legende wil dat Palestrina zijn Missa Papae Marcelli (Mis voor Paus Marcellus)

speciaal componeerde om de deelnemers aan dit concilie te overtuigen van de noodzaak tot

hervorming van de kerkmuziek zonder de verworvenheden van de polyfonie op te geven. De mis werd

echter voor het eerst gepubliceerd in 1567, vier jaar na het concilie.

Palestrina's stijl kreeg navolging van onder anderen Gregorio Allegri en Tomás Luis de Victoria. Zijn

 stijl werd het schoolvoorbeeld van de zogeheten prima prattica.

Tijdens zijn leven is maar een gering deel van Palestrina's muziek in druk verschenen. In de 19e eeuw

kwam er hernieuwde belangstelling voor zijn werk, door de inspanningen van onder anderen Luigi

Cherubini en Vincent d'Indy. Een eerste uitgave van de verzamelde werken in 33 delen verscheen in de

jaren 1862–1903 bij Breitkopf & Härtel in Leipzig.


  

Couillart, Dulos (16e eeuw)  Viri Galilaei

Magnificat antifoon voor Hemelvaartsdag uit 1534

  

Viri Galilaei, quid admiramini aspicientes in caelum? Alleluia. Quemadmodum vidistis eum ascendentem in caelum, ita veniet, Alleluia.


Men of Galilee, why do you stand here gazing into the sky? This Jesus, who has been taken up from you into heaven, will come back in the same manner. Alleluia.


Philps, Peter (1565-1635) Ascendit Deus

uit 1612, Cantiones sacrae quinis vocibus, no 20

     

Ps. 46:5

Ascendit Deus in jubilatione, et Dominus in voce tubae.

Dedit dona hominibus.

Alleluia.

Ps. 102:19a  Dominus in caelo paravit sedem suam.

Alleluia.


God is gone up with a merry noise, and the Lord with the sound of the trumpet. The Lord hath prepared his seat in heaven.


Over Peter Phillps


Philips is geboren in 1560 of 1561, in Devonshire of misschien Londen. Van 1572 tot 1578 verliep zijn loopbaan als koorknaap bij de Sint-Pauluskathedraal in Londen onder toezicht van de katholieke zangmeester, Sebastian Westcote, die ook de jonge William Byrd twintig jaar eerder had opgeleid en in 1582 stierf. Philips was met zijn leraar vermoedelijk goed bevriend, want hij kreeg tot Westcotes dood onderdak in diens woning en was een van diens begunstigde erfgenamen.

In het jaar 1582, waarin Philips Engeland voorgoed verlaat zoals zovele anderen vanwege hun katholieke geloofsovertuiging, verbleef hij kortstondig in de Spaanse Nederlanden voor hij naar Rome doorreisde. Daar trad hij in dienst van kardinaal Alessandro Farnese (1520-1589) bij wie hij drie jaren bleef. Hij kreeg ook een betrekking als organist bij het Engelse Jezuïtencollege. Hij maakte er kennis met Palestrina en ontmoette er als katholieke banneling in februari 1585 ook een lotgenoot: Thomas Paget.[1] Philips trad bij hem als muzikant in dienst. Beiden verlieten Rome in maart 1585 om een lange reis te maken. Die brengt hen in september 1585 in Genua, in oktober in Madrid en in september 1586 in Frankrijk. Het gehele jaar 1587 en de helft van het daaropvolgende jaar verblijven ze in Parijs op een korte uitstap na naar Brussel in maart 1588. In juni 1588 belandden zij uiteindelijk in Antwerpen. In februari 1589 vestigden zij zich in Brussel, waar Paget een jaar later stierf, waarna Philips zich opnieuw in Antwerpen vestigde waar hij trouwde en moeizaam het dagelijkse brood verdiende door kinderen virginaalles te geven. In 1593 trok hij naar Amsterdam om een in onderlegdheid uitmuntend man te kunnen zien en horen - to sie and heare an excellent man of his faculties - ongetwijfeld Jan Pieterszoon Sweelinck wiens roem dan al ver verspreid was. Op de terugweg werd Philips door ziekte getroffen. Hij bleef drie weken in Middelburg om te herstellen, maar werd daar door een landgenoot, Roger Walton, aangegeven vanwege vermeende betrokkenheid in een moorddadige samenzwering tegen Elisabeth I van Engeland. Met Walton en een andere beschuldigde, Robert Pooley, werd Philips aangehouden voor ondervraging. In afwachting van een verslag uit Londen werd hij een tijdlang opgesloten in 's-Gravenhage, waar hij waarschijnlijk de pavane en gaillarde Doloroso componeerde (Fitzwilliam Virginal Book, nr. LXXX en LXXXI). Philips vertaalde zelf de beschuldigingen die op het proces tegen hem waren geuit en gaf daarbij blijk van zijn uitstekende beheersing van het Nederlands. Hij werd vrijgesproken en zonder verdere tenlasteleggingen vrijgelaten.

Zodra Philips in 1597 in Brussel een betrekking had als organist van de kapel van aartshertog Albrecht VII van Oostenrijk, sinds 1595 landvoogd van de Nederlanden, nam zijn leven een gunstigere wending. Het jaar daarop verscheen een bundel met achtstemmige madrigalen. Philips werd tot priester gewijd na de dood van zijn vrouw en kinderen. De meningen zijn verdeeld over de vraag of dat in 1601 of 1609 was. In München verschijnen in 1609 zijn vroegst bekende geestelijke werken: drie motetten, opgenomen in een verzamelbundel. In elk geval verwierf hij in 1610 een kanunnikschap in Zinnik en in 1622 of 1623 in Bethune. Philips’ aanstelling aan het hof stelde hem in staat de beste musici van zijn tijd te ontmoeten, onder anderen Girolamo Frescobaldi, die de Nederlanden in 1607-08 bezocht, en zijn landgenoot John Bull, die Engeland ontvlucht had vanwege een klacht met betrekking tot overspel. De collega die hem het meest na was is echter Peeter Cornet (ongeveer 1575-1633), organist van aartshertogin Isabella Clara Eugenia, vrouw van Philips’ werkgever, de aartshertog.

Nog bij leven verwierf Philips veel aanzien. Zijn werken geraakten verspreid tot in Stockholm en Lissabon. In een reeks schilderijen die de zintuigen voorstellen, geeft Jan Brueghel de Oude bij het Gehoor dit zintuig mede gestalte door een partituur van Pietro Philippi, Inglese’s zesstemmige madrigalen bij de rekwisieten op te nemen, wat kan gelden als een bescheiden eerbetoon aan de componist.[2]

Philips stierf in 1628. Wellicht was dat in Brussel, waar hij is begraven.


Philips, Peter (1565-1635) Jubilate Deo a 8 uit 613

 

Jubilate Deo, omnis terra;  servite Domino in lætitia. Intrate in conspectu eius in exsultatione,

quia Dominus ipse est Deus.  


Psalm 100

100:1  O be joyful in the Lord, all ye lands:

100:2  Serve the Lord with gladness, and come before his presence with a song.

100:3a  For the Lord he is God;


Wagenaar, Johan (1862-1941) Hymnus de ascensione Domini


De kerkvader Ambrosius schreef de tekst van deze hymne, maar noemt wonderlijk de hemelvaart zelf niet. Hij beschrijft in dit loflied wat Jezus heeft betekend voor de mensen en dat Hij nu zit aan de rechterhand van de vader. Blijkbaar wilde hij zich niet wagen aan een beschrijving of duiding van de hemelvaart zelf.


Over Johan Wagenaar



Geboren in Utrecht, buitenechtelijk, was hij de zoon van Cypriaan Gerard Berger van Hengst en Johanna Wagenaar. Wagenaars ouders waren van verschillende sociale lagen: zijn vader was een aristocraat, terwijl zijn moeder van meer bescheiden afkomst was. [1] Om deze reden waren Wagenaars ouders niet getrouwd, en dus kreeg Wagenaar de naam van zijn moeder als zijn familienaam. Hoewel Wagenaar het kwalijk vond dat zijn ouders nooit trouwden, werd hij zeker niet verwaarloosd door zijn vader. Wagenaar bleek als kind al een talent voor muziek. Hij begon echter pas op 13-jarige leeftijd een formele opleiding in muziek te krijgen, met daaropvolgende instructie in piano, orgel, viool, theorie en compositie. Hij stond onder leiding van de componist Richard Hol en de organist Samuel de Lange jr. In 1892 studeerde hij bij Brahms' vriend Heinrich von Herzogenberg in Berlijn, waarbij hij met name lessen in contrapunt nam. In 1888 volgde hij Richard Hol op als organist van de Dom van Utrecht en verwierf hij bekendheid met zijn vaardigheden bij orgeluitvoeringen. In Utrecht werd Wagenaar in 1896 leraar aan de muziekschool en in 1904 directeur van de school. Ook kreeg hij een aanstelling bij het Utrechts Stedelijk Orkest. Tussen 1919 en 1937 was Wagenaar directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Zijn leerlingen waren Peter van Anrooy, Emile Enthoven, Henri van Goudoever, Alexander Voormolen, Leon Orthel, Clara Wildschut, Allard de Ridder, Willem Pijper, Hendrika Tussenbroek en Bernard Wagenaar.



De Klerk, Albert (1917-1998) Pater Noster


Pater noster qui es in coelis, Sanctificetur nomen tuum; adveniat regnum tuum; fiat voluntas tua sicut in coelo et in terra; panem nostrum quotidianum da nobis hodie; et dimitte nobis debita nostra, sicut et nos dimittimus debitoribus nostris. Et ne nos inducas in tentationem, sed libera nos a malo


Vanaf zijn zestiende jaar tot aan zijn dood is Albert de Klerk organist op het Adema-orgel van de St. Josephkerk in Haarlem. Als stadsorganist van Haarlem heeft hij minstens 6400 keer gespeeld, met een veelvoud aan orgelimprovisaties. Zijn improvisaties vormen in 2006 het onderwerp van een proefschrift. Gerard Sars concludeerde hierin: "Door zo te improviseren als hij deed, werk je aan de vernieuwing van de kerkmuziek van binnenuit, zonder dat je deelnemers aan de liturgie vervreemdt." De Klerk speelt in een eigen taal, in een gematigd modern idioom, met een grote voorkeur voor de stijl van César Franck en Hendrik Andriessen. "Legendarisch was de muzikaliteit van De Klerk, die begiftigd was met een absoluut gehoor en een flitsend theoretisch en praktisch inzicht.  Als improvisator geniet De Klerk wereldfaam bij zijn collega's, mede dankzij het Haarlemse orgelconcours dat elke zomer talloze organisten naar Haarlem trekt." Als componist is Albert de Klerk autodidact.






Clemens non Papa (1510-1556)  Ego flos campi (bewerking voor 3 stemmig vrouwenkoor)


Song of Solomon 2:1-5 & 4:12,15.


2:1  Ego flos campi et lilium convallium.

2:2  Sicut lilium inter spinas sic amica mea inter filias.

2:3a  Sicut malus inter ligna silvarum, sic dilectus meus inter filios.

2:3b  Sub umbra illius quem desideraveram sedi, et fructus ejus dulcis gutturi meo.

2:4  Introduxit me Rex in cellam vinariam ordinavit in me charitatem.

2:5  Fulcite me floribus, stipate me malis quia amore langueo.


4:12  Hortus conclusus soror mea sponsa, hortus conclusus fons signatus.

4:15  Fons hortorum puteus aquarum viventium quae fluunt impetu de Libano

2:1  I am the rose of Sharon, and the lily of the valleys.

2:2  As the lily among thorns, so is my love among the daughters.

2:3a  As the apple tree among the trees of the woods, so is my beloved among the sons.

2:3b  I sat down under his shadow with great delight: and his fruit was sweet to my taste.

2:4  He brought me into the banqueting house, and his banner over me was love.

2:5  Stay me with flagons, comfort me with apples: because I am sick of love.

4:12  A garden inclosed is my sister, my spouse; a spring shut up, a fountain sealed.

4:15  A fountain of gardens, a well of living waters, and streams from Lebanon


Over Clemens non Papa


Er wordt verteld dat hij zijn bijnaam "non Papa" zichzelf had gegeven zodat de mensen hem zouden onderscheiden van de Ieperse dichter Clemens Papa (Clément de Paepe). Ook de paus (Latijn: papa) heette toen Clemens. Andere bronnen beweren dat er geen redenen toe zijn om dit aan te nemen. Soms wordt ook gesuggereerd dat hij de aanduiding 'Clemens, niet de paus' bij wijze van grap droeg.


Van zijn leven is weinig bekend. Hij was afkomstig uit een van de zeventien Provinciën van het huidige België of Nederland (misschien Zeeland). Zijn eerste compositie verscheen in 1536. In maart 1544 werd hij benoemd tot zangmeester aan de Sint-Donaaskerk van Brugge. Na een jaar verliet hij Brugge echter. Hij ging een zakelijke relatie aan met de Antwerpse muziekuitgever Tielman Susato, die tot aan Jacobus' dood de meeste van zijn werken zou uitgeven. Tussen 1545 en 1549 was hij


waarschijnlijk werkzaam aan het hof van Filips II van Croÿ, hertog van Aerschot en generaal van keizer Karel V. In 1550 was hij gedurende drie maanden te gast in 's-Hertogenbosch bij de Illustere Lieve Vrouwenbroederschap. In 1551/1552 was hij mogelijk te gast in Leiden; de Leidse koorboeken, afkomstig uit de Pieterskerk, bevatten heel wat van zijn werken, onder andere een cyclus Magnificat-zettingen. Volgens Antonius Sanderus is hij begraven in de grote kerk van Diksmuide.


In tegenstelling tot een aantal van zijn tijdgenoten lijkt Clemens nooit naar Italië te zijn geweest. Zijn stijl is "noordelijk" gebleven zonder Italiaanse invloeden. Hij heeft talrijke composities geschreven, onder meer 15 missen, meer dan 200 motetten en vier boeken met in totaal 159 driestemmige psalmen in de Nederlandse taal (souterliedekens). Deze werden uitgegeven door Tielman Susato in Antwerpen.


Sweelinck, Jan Pieterszoon (1562-1621) Chantez a Dieu chanson nouvelle (psalm 96)


Chantez à Dieu chanson nouvelle,

Chantez, ô terre universelle,

Chantez, et son Nom bénissez.

Et de jour en jour annoncez

Sa délivrance solennelle.


Sing to the Lord a new song,

Sing, all the earth,

Sing, and bless his name.

And from day to day announce

His great salvation (lit. "solemn deliverance" )


Over Sweelinck


Sweelinck was als componist en als muziekpedagoog tot ver buiten de landsgrenzen bekend en beroemd. Reeds tijdens zijn leven verschenen vele van zijn vocale werken in druk en verspreidden zich over geheel Europa. Zo verschenen er in Berlijn zogeheten 'roofdrukken' in het Duits (in de zogeheten Lobwasser-vertaling) van Sweelincks meerstemmige zettingen van het Franstalige Geneefse psalter.


Van alle reizen die Sweelinck gemaakt heeft, staat er slechts één naar het buitenland geregistreerd: zijn dienstreis naar Antwerpen in 1604, bekostigd door de stad Amsterdam, waar hij bij de klavecimbelbouwers Ruckers in opdracht van het Amsterdamse stadsbestuur een nieuw klavecimbel kocht. Alleen het beschilderde deksel van dit stadsklavecimbel bleef bewaard.


De Engelse musici Peter Philips en John Bull, katholieken die naar de zuidelijke (of Oostenrijkse) Nederlanden waren gevlucht, zochten Sweelinck op in Amsterdam voor collegiaal contact. Philips deed dit in 1593 vanuit Brussel, John Bull ondernam veel later dezelfde reis met hetzelfde doel. Van laatstgenoemde is een fuga overgeleverd die op een thema van Sweelinck gebaseerd is. In het beroemde (handgeschreven) Fitzwilliam Virginal Book, dat rond 1600 werd samengesteld uit 297 composities voor het virginaal, blijken vier composities van Sweelinck te zijn opgenomen.


Opmerkelijk genoeg zijn tijdens Sweelincks leven geen klavierwerken (orgel, klavecimbel) uitgegeven. Wel verzorgde zijn oud-leerling Samuel Scheidt de uitgave van een verzameling van driestemmige fantasieën, daarvan is tot nog toe geen enkel exemplaar in een bibliotheek of archief aangetroffen.


Hoewel van Sweelinck bekend is dat hij veel meer muziek heeft geschreven, onder meer voor andere instrumentale en/of vocale bezetting, lijkt daarvan niets bewaard te zijn gebleven.


Hassler, Hans Leo (1564-1612) Kein grosser Freud


Kein grösser Freud hett ich auff diser Erden
dann wann du mir mein Schatz zu Theil möchst werden,
daß ich mit dir nach meiner Begier ganz freundlich könnte schertzen.

Schöns Lieb, dich bitt ich eben,
wöllst dich mein Willn ergeben,
so wolln wir beid in Lieb und Leid ehlich beysammen leben.


Di Lasso, Orlando (1532-1594) Tutto lo di (a otto)   

1596 in Madrigali a otto voci (Pierre Phalèse), no. 20, p. 21


Tutto lo dì mi dici: «Canta, canta!»

Non vedi ca non posso refiatare!

A che tanto cantare?

Vorria che mi dicessi «Sona, sona!»

Non le campan'a nona

Ma lo cimbalo tuo

Se canto ri-ro ro-ri-ro-gne

S'io t'haggio sott' a st'ogne.

 

All day you tell me: "Sing, sing!"

Don't you see I can't catch my breath?

What good is all this singing?

I wish you would tell me, "Play, play!"

Not the bell for Nones [afternoon prayer]

But your own keyboard.

I would sing "Ri-ro ro-ri-rogne"

If I had you under my fingers.


Over Hassler


Hassler was de zoon van organist Isaak Hassler. Hij werd tijdens zijn jeugd in Neurenberg sterk beïnvloed door de muziek van Orlandus Lassus, die in Duitsland zeer populair was. In 1584 trok hij naar Venetië om er in de leer te gaan bij Andrea Gabrieli; zijn latere werk toonde dan ook Italiaanse invloeden, en vele van zijn liederen waren in het Italiaans. Daar Gabrieli zelf nog een leerling van Lassus was geweest, werd de chansonstijl in Hassler nog versterkt. Hij inspireerde zich op het canzonetta, en componeerde daarnaast in de meerkorige stijl, waarmee hij een voorloper van Schütz was. Bij zijn terugkomst in Duitsland ging Hassler in dienst bij een bankiersfamilie in Augsburg, waar hij snel nationaal bekend werd. Tot 1601 verbleef hij nog te Augsburg, ondanks een aanbod van Moritz, landgraaf van Hessen, de mecenas-componist uit Kassel. Ondertussen verhief keizer Rudolf II hem in de adelstand op grond van zijn muzikale merites. Toen hij in 1601 naar Neurenberg terugkeerde, werd hij er tot Oberkapellmeister benoemd en officieel als hofdienaar van de keizer aangenomen. Hij huwde in Ulm in 1604 en was nog een paar jaar in dienst van de keurvorst van Saksen, eerst Christiaan II en later Johan George I. In 1612 stierf hij aan tuberculose, terwijl hij Johan George vergezelde in Frankfurt voor de verkiezing van de nieuwe keizer.


Hasslers werk vertoont sterk de invloed van het Italiaanse madrigaal, maar bouwt eveneens voort op de traditie van Lassus. Hij componeerde redelijk wat muziek (klavierwerken al meer dan 110: zoals 29 canzona's, 24 ricercares, 16 toccata's) en wat hij naliet, is van een uitzonderlijke kwaliteit en erg gevarieerd. Naast profane en religieuze meerstemmige liederen en psalmen, in het Duits en Italiaans, schreef hij een aantal instrumentale werken, veelal voor koperblazers. Hij was protestant, maar werd als componist ook door katholieken hoog in het vaandel gedragen. Het belang van Hassler zit hoofdzakelijk in zijn bemiddelende functie tussen de Duitse liedstijl en Italiaanse canzonette; hij effende de weg voor de vroege Duitse Barokmuziek.

Bekende liederen van Hassler zijn onder meer Tanzen und springen, Herzlieb zu dir allein, Ach Weh des Leiden, Vivan sempre i pastori en Auß tieffer Noth. Het beroemdst is waarschijnlijk Mein Gmüth ist mir verwirret; deze melodie werd door Johann Crüger gekopieerd en vervolgens door Bach gebruikt, als basis voor het koraal O Haupt voll Blut und Wunden uit diens Mattheuspassie.

Het werk van Hassler, ofschoon beperkt, geldt als behorende tot het belangrijkste Duitse Renaissancerepertoire.


Di Lasso, Orlando (1532-1594) O la, o che bon echo!

1581 in Libro de villanelle, moresche et altre canzoni, no. 24


O la, o che bon echo! Pigliamo ci, piacere!

Ha ha ha ha ha, ridiamo tutti!

O bon compagno! Che voi tu? Voria che tu cantassi una canzona.

Perchè? Perchè si? Perchè no? Perchè non voglio. Perchè non voi?


Perchè non mi piace! Taci dico!

Taci tu! O gran poltron! Signor, si!

Orsu non più! Andiamo! Adio bon echo! Adio bon echo!

Rest' in pace! Basta! Basta! Basta! Basta!

 

My word! what a lovely echo! let's try it out. Pleased to meet you!

Ha ha ha ha ha, let's all laugh!

Oh my fine companion? What do you want? I'd like you to sing a song

Why? Why should I? Why not? Because I don't want to.

Why don't you want to?

Because I don't feel like it! Shut up I say!

You shut up, you big fool!. Yes Sir!

Come now, no more! Let's go!. Goodbye good echo!

Peace be with you. That's enough, enough,

Händel, Georg Friedrich (1685-1759)


Let the bright seraphim  da capo aria was the musical mainstay of late Italian Baroque opera, an A-B-A form for setting short, usually contrasting, strophes, with a return (da capo – to the head) to the initial words and music. Like Italian opera itself, the da capo aria was much admired and imitated throughout Europe. Handel hardly needed a sojourn in Italy to “reconcile him to the style and taste which prevailed there,” as a visiting Italian noble reportedly advised him, although Handel did spend the better part of three years there, very profitably in every way. Handel is estimated to have written over 1000 da capo arias in the course of his career, filling his operas and oratorios.

The oratorio L’Allegro, il Penseroso, ed il Moderato was premiered in February 1740, a time when Handel was still also writing and producing opera. James Harris, a member of the circle of friends who were taking a keen interest in Handel’s development of large-scale English works, noted “Allegro” and “Penseroso” (basically, happy and sad) aspects to Handel’s own personality and took lines from two poems by John Milton for a proposed new work. At Handel’s request, Charles Jennens – another member of the circle, soon to create the libretto for Messiah – revised it and added a third part in praise of moderation. (Handel himself cut that third part from his performances of the work after 1742.)

The theme and its pastoral imagery inspired Handel fully. The da capo aria known generally simply as “Sweet Bird” comes from the middle of Part I, and is sung by the allegorical character Penseroso. An obbligato flute provides the pictorial warbling in the main section. The bird song is absent in the contrasting middle section in the parallel minor mode, with steadily pulsed chords in the strings.

In 1713 Handel was the latest thing in the hotly contested opera world of London, but still very much an establishment outsider, when he made his only attempt at a court ode, with mixed results. Queen Anne’s illness prevented its performance, but she evidently appreciated the gesture, for later that year she took him into her official service, with an annual pension. “Eternal Source of Light Divine” is not a da capo aria, but rather the short, through-composed ceremonial opening statement of the Ode. It was originally written for Richard Elford, a high tenor who sang in the choirs of Westminster Abbey and St. Paul’s Cathedral as well as the Chapel Royal, with a stately trumpet part that echoes the voice.

The oratorio Samson, drafted while Handel was working simultaneously on Messiah in 1741, is another work based on Milton’s poetry. Brilliant arias with trumpet obbligatos were standard practice for moments of grand ceremony and celebration in operas and oratorios, and “Let the Bright Seraphim” comes at the very end of Samson, just before the final chorus. Sung by an anonymous “Israelitish Woman,” the aria summons the celestial hosts of seraphim and cherubim to hail the dead hero, with trumpet figures responding to the singer. In the oratorio the aria proceeds directly into the chorus after its contrasting section (without trumpet, in the relative minor mode), but as an excerpt it makes the full da capo return readily.

      

Händel, Georg Friedrich (1685-1759)  Meine Seele hört im Sehen


Meine seele hört im Sehen,

wie, den Schöpfer zu erhöhen,

alles jauchzet, alles lacht.

Höret nur, des erblühnden Frühlings Pracht

ist die Sprache der Natur,

die sie deutlich durchs Gesicht

allenthalben mit uns spricht.



Over Händel


Georg Friedrich Händel (Engels: George Frideric Handel) (Halle an der Saale, 23 februari 1685 – Londen, 14 april 1759) was een barokcomponist. Händel schreef veel muziek-dramatische werken: 42 opera's, 29 oratoria, meer dan 120 cantates, trio's en duetten. Dat komt overeen met ongeveer 2000 aria's. Verder Engelse, Duitse, Italiaanse en Latijnse kerkmuziek, serenades en odes. Onder zijn instrumentale werken vallen de orgelconcerten, concerti grossi, ouvertures en kamermuziek zoals hobo- en vioolsonates en werken voor klavecimbel en orgel.

Samen met Johann Sebastian Bach, die in hetzelfde jaar (1685) werd geboren, wordt Händel als een van de grootste componisten van zijn tijd gezien. Händel componeerde in totaal meer dan 610 werken, waarvan vele nog steeds worden uitgevoerd.